Verslag van de nachtwaarneming van nachtvlinders te Duffel op 29/08/2008, bij het Mosterdpotje i.s.m.Natuurpunt tijdens de Europese nacht van de vleermuis
Indeling
Werkwijze
Weersomstandigheden
Waargenomen soorten
Besluit
Literatuur & contacten/vereniging
Werkwijze
Om nachtvlinders aan te trekken worden lampen en lakens gebruikt. Een vertikaal laken met een lamp op 1.5 m hoogte en eronder een horizontaal laken met een lamp op de grond. De bedoeling is dat de vlinders vlug kunnen gaan zitten. Zo kunnen wij ze dan proberen te determineren.
Weersomstandigheden
Na een week van donkere dagen zonder regen en een graad of 20° C., open hemel vanaf 18.00 uur. De temperatuur bleef tussen 16° C en 14° C. en er werd waargenomen van 21.20 u tot 23.15 u.
De omstandigheden waren over het algemeen goed.
Waargenomen soorten grote nachtvlinders
Familie DREPANIDAE, EENSTAARTJES

|
Thyatira batis (Linnaeus, 1758), braamvlinder:
Een erg gewone soort.
De rupsen leven op braam en framboos.
De vlinders vliegen van eind april tot in september in twee generaties. |
|
Watsonalla binaris (Hufnagel, 1767), gele eenstaart
Een gewone soort.
De rupsen leven vooral op eik.
De vlinders vliegen van eind april tot begin september in twee, soms drie generaties. |
Familie GEOMETRIDAE, SPANNERS

|
Opisthograptis luteolata (Linnaeus, 1758), hagedoornvlinder:
Een zeer gewone soort.
De rupsen leven op bomen en struiken.
De vlinders vliegen in twee, soms drie generaties van half april tot eind september |
|
Peribatodes rhomboidaria ([Denis & Schiffermüller], 1775), taxusspikkelspanner:
Een heel gewone soort.
De rupsen leven op bomen en planten.
De vlinders vliegen van eind mei tot half september, meestal in één generatie. |
|
Cabera exanthemata (Scopoli, 1763), bruine grijsbandspanner:
Een gewone soort.
De rupsen leven op struiken en bomen met een voorkeur voor wilg en populier.
De vlinders vliegen van eind april tot half september in twee generaties. |
|
Campaea margaritata (Linnaeus, 1758), appeltak:
Een heel gewone soort.
De rupsen leven op diverse loofbomen.
De vlinders vliegen begin mei tot eind september in twee generaties. |
|
Xanthorhoe spadicearia ([Denis & Schiffermüller], 1775), bruine vierbandspanner:
Een heel gewone soort.
De rupsen leven op kruidachtige planten.
De vlinders vliegen van half april tot half oktober in twee soms drie generaties. |
|
Xanthorhoe ferrugata (Clerck, 1759), vierbandspanner:
Een gewone soort.
De rupsen leven op kruidachtige planten.
De vlinders vliegen van half april tot begin september in twee, soms drie generaties. |
|
Ecliptopera silaceata ([Denis & Schiffermüller], 1775), marmerspanner:
Een gewone soort.
De rupsen leven op verschillende planten.
De vlinders vliegen van half april tot eind augustus.in twee generaties. |
|
Dysstroma truncata (Hufnagel, 1767), schimmelspanner:
Een zeer gewone soort.
De rupsen leven op struiken en planten.
De vlinders vliegen van begin mei tot oktober in twee generaties. |
|
Colostygia pectinataria (Knoch, 1781), kleine groenbandspanner:
Een gewone soort.
De rupsen leven op walstro, soms ook op bosbes.
De vlinders vliegen van eind april tot eind september in twee generaties. |

|
Eupithecia centaureata ([Denis & Schiffermüller], 1775), zwartvlekdwergspanner:
Een vrij gewone soort.
De rupsen leven op diverse kruidachtige planten.
De vlinders vliegen van half april tot begin september in twee, soms drie generaties. |
|
Eupithecia icterata (De Villers, 1789), oranje dwergspanner :
Een zeldzame soort, plaatselijk gewoon!
De rupsen leven vooral op duizendblad, maar ook op tal van andere kruidachtige planten.
De vlinders vliegen van half mei tot begin oktober in één generatie. |

|
Euchoeca nebulata (Scopoli, 1763), leverkleurige spanner :
Een vrij gewone soort.
De rupsen leven op els en berk.
De vlinders vliegen van eind april to half september in twee generaties. |
Familie NOTODONTIDAE, TANDVLINDERS
|
Pheosia gnoma (Fabricius, 1776), berkenbrandvlerkspanner :
Een vrij gewone soort. De rupsen leven op berk.
De vlinders vliegen van half april tot in september in twee generaties. |

|
Schrankia costaestrigalis (Stephens, 1834), gepijlde micro-uil :
Een vrij gewone soort.
De rupsen leven op kruidachtige planten.
De vlinders vliegen van mei tot oktober in twee generaties. |
|
Hypena proboscidalis (Linnaeus, 1758), bruine snuituill :
Een zeer gewone soort.
De rupsen leven op brandnetel.
De vlinders vliegen van begin mei tot half oktober in twee generaties. |
|
Chrysodeixis chalcites (Esper, 1789), turkse uil :
Vroeger heel zeldzame trekvlinder, nu ingeburgerd en in wisselende aantallen per jaar.
De rupsen leven op diverse kruidachtige planten.
De vlinders vliegen van juni tot november in doorlopende generaties. |

|
Autographa gamma (Linnaeus, 1758), gamma-uil :
Een zeer gewone trekvlinder, ook dikwijls overdag waar te nemen.
De rupsen leven op allerlei kruidachtige planten.
De vlinders vliegen van april tot oktober in meerdere generaties. |

|
Abrostola tripartita (Hufnagel, 1767), brandnetelkapje :
Een vrij gewone soort.
De rupsen leven op brandnetel.
De vlinders vliegen van half april tot half september in twee generaties. |
|
Amphipyra berbera Rungs, 1949, schijn-piramidevlinder :
Een redelijk zeldzame soort, die de laatste jaren in opkomst blijkt te zijn.
De rupsen leven op allerlei loofbomen en struiken.
De vlinders vliegen van half juli tot eind september in één generatie. |

|
Paradrina clavipalpis (Scopoli, 1763), huisuil :
Een gewone soort.
De rupsen leven op grassen en weegbree.
De vlinders vliegen half april tot half oktober in minstens twee generaties. |
|
Hoplodrina octogenaria ([Denis & Schiffermüller], 1775), gewone stofuil:
Een gewone soort.
De rupsen leven op diverse kruidachtige planten.
De vlinders vliegen van eind mei tot half augustus in één generatie. |
|
Hoplodrina ambigua ([Denis & Schiffermüller], 1775), zuidelijke stofuil :
Een gewone soort.
De rupsen leven op diverse kruidachtige planten.
De vlinders vliegen van begin mei tot half oktober in twee generaties. |
|
Mesoligia furuncula ([Denis & Schiffermüller], 1775), zandhalmuiltje :
Een erg gewone en zeer variabele soort.
De rupsen leven op diverse grassen.
De vlinders vliegen van eind juni tot half september in één generatie. |
|
Mesapamea didyma (Esper, 1788), weidehalmuiltjee :
Een vrij gewone soort.
De rupsen leven op diverse grassen.
De vlinders vliegen van half juni tot half september in één generatie. |
|
Ochropleura plecta (Linnaeus, 1761), haarbos:
Een zeer gewone soort.
De rupsen leven op allerlei kruidachtoge planten.
De vlinders vliegen van begin april tot begin oktober in twee, soms drie generaties.
|

|
Diarsia rubi (Vieweg, 1790), gewone breedvleugeluil:
Een gewone soort.
De rupsen leven op diverse kruidachtige planten.
De vlinders vliegen van begin mei tot eind september in twee generaties.
|
|
Noctua pronuba (Linnaeus, 1758), huismoeder:
Een zeer gewone soort.
De rupsen leven op allerlei kruidachtige planten en grassen.
De vlinders vliegen van eind mei tot begin oktober in één langgerekte generatie. |
|
Noctua janthe (Borkhausen, 1792), open-breedbandhuismoeder:
Een vrij gewone soort.
De rupsen leven op diverse kruidachtige planten, bomen en struiken.
De vlinders vliegen van eind juni tot eind september in één generatie. |
|
Xestia c-nigrum (Linnaeus, 1758), zwarte-c-uil:
Een zeer gewone soort.
De rupsen leven op diverse kruidachtige planten.
De vlinders vliegen van half april tot eind november in twee of drie generaties. |
|
Xestia xanthographa ([Denis & Schiffermüller], 1775), vierkantvlekuil:
Een vrij gewone soort.
De rupsen leven op diverse kruidachtige planten en grassen.
De vlinders vliegen van eind juli tot begin oktober. |
N.B. de foto’s zijn niet van de dieren uit Duffel, wel van onze site geplukt.
Naast deze “grote” nachtvlinders zijn er nog een tiental “micro”s opgemerkt.
Het lijstje met deze namen zal, omwille van het moeilijk determineren, later volgen. Ook zijn er geen Nederlandse namen voorzien.
Een enkele soort was gemakkelijk:
Evergestis pallidata (Hufnagel, 1767)
|
Evergestis pallidata (Hufnagel, 1767)
Een gewone soort.
De rupsen leven van kruisbloemigen.
De vlinders vliegen van half juni tot half september |
Tellijst
Besluit
Het was voor de tijd van het jaar een gunstige nacht met een redelijk goed aantal vlinders.
Normaal kunnen we een aantal uurtjes verder verzamelen en stijgt het aantal met nog ongeveer een derde.
Het gebied biedt zeker veel meer mogelijkheden gezien de diverse biotopen in de buurt: gemengde bossen, natte gebieden met riet en andere natte weilanden, enz.
Literatuur en contacten/vereniging
Het beste boek, zowel voor beginners als voor gevorderden is op dit moment:
“Nachtvlinders, veldgids met alle in Nederland en België voorkomende nachtvlinders”
door Paul Waring en Martin Townsend met illustraties van Richard Lewington
Vertaald en bewerkt door De Vlinderstichting in samenwerking met de Werkgroep Vlinderfaunistiek en de Vlaamse Vereniging voor Entomologie
Uitgeverij: TIRION NATUUR
ISBN 10 90-5210-625-8
ISBN 13 978-90-5210-625-0
Ook de site van onze vereniging is een bezoekje waard: www.phegea.org
Steeds tot verdere inlichtingen bereid:
De Prins Guido
Markiezenhof 32
2170 Merksem
e-mail |
Het begon met een vraag van Vic:
In mijn bloementuin trof ik een gele spin aan met op beide flanken een rode streep. Het achterlijf zelf is ± 6 à 7mm. Ik heb op de website naar de Europese spinnen gekeken en kan ze niet vinden.
Goedele vertelde dat het om een krabspinnetje ging, de Misumena vatia of gewone kameleonspin, wat Pieter Van Dorsselaer wist te bevestigen:

Het is inderdaad de Gewone kameleonspin (Misumena vatia), één van de krabspinnen.
Een stukje uit de Tirion Spinnengids:
De krabsipnnen loeren wachtend op prooi, en, al zien ze er opvallend uit, zijn vaak goed gecamoufleerd in hun omgeving. Ze zitten meestal stil met de twee paar voorpoten gespreid en pakken prooi die binnen hun bereik komt. Geen van de soorten spint een web. Ze worden krabspinnen genoemd omdat ze er wat krab-achtig uitzien, en even goed zijwaarts lopen als vooruit of achteruit. De Gewone kameleonspin zit op bloemen en overvalt bezoekende insecten. Zij kan langzaam van kleur veranderen voor een betere camouflage.
Het beest op jouw foto is een vrouwtje, het mannetje ziet er heel anders uit, met donkerbruine voorpoten en kopborststuk.
Een andere courante tuinspin die er wel wat op lijkt is de Gewone Tandkaak (Enoplognatha ovata), één van de kogelspinnen.
De soort is nogal variabel. Meestal zie je dieren met een rode rand op de rug, maar sommige exemplaren hebben de gehele rug rood, bij andere ontbreekt het rood soms volledig. De spin wordt zo'n 3 tot 6 mm lang. Ze legt haar eitjes in een blad, dat ze dan dicht spint, zodat de jongen beschermd kunnen opgroeien. Kogelspinnen zijn maar moeilijk te onderscheiden van andere spinnenfamilies. Meestal echter zijn de poten niet of nauwelijks bestekeld. Kogelspinnen maken soms een heel apart vangmechanisme: een tamelijk klein web, gemaakt van heel veel sterke draden. Dat web is alleen boven flink vastgemaakt aan een takje of iets dergelijks. Aan de onderkant en zijkanten is het web bijna loszittend. Een insect dat in het web terechtkomt en flink spartelt, zorgt ervoor dat het web aan de onderkant en de zijkanten loslaat en hij hangt dus aan één draad los in de lucht en raakt zo heel snel verward in het web.
Meer mooie foto’s kan je vinden op www.natuurfotoalbum.be |