Zoogdierenwerkgroep
 

 

IJskelder Hof ter Eycken : een eerste succes

 

In het Hof ter Eycken park in Rumst is sinds 2004 een ijskelder ingericht als overwinteringsplaats voor vleermuizen.
In dit kleine bosrijke park met vijver bevindt zich namelijk nog een ijskelder in prima staat.
Dergelijke ijskelders werden vroeger als koelkast door de kasteelheer gebruikt: ijs dat ’s winters uit de vijver gesneden werd, werd hierin bewaard. Tot diep in de zomer kon hierdoor nog een ijskoude temperatuur gerealiseerd worden.
Nu kunnen deze ijskelders prima ingericht worden als vleermuizenreservaat: een constante temperatuur, meestal vrij vochtig en, indien degelijk afgesloten: geen verstoring.

De ijskelder van Hof ter Eycken was voor 2004 helemaal niet afgesloten, dus door verstoring en wisselende temperaturen helemaal niet geschikt voor vleermuizen.

Een eerste beheersmaatregel in 2004 was het plaatsen van een dubbele deur en invliegopeningen daarboven. Deze ijskelder heeft ook een centraal gat boven de kelder, dit werd afgedicht met een betonplexplaat. Daarnaast werd ook een infopaneel voor de ingang geplaatst. Dit blijkt zeer efficiënt tegen vandalisme: hoewel dit aanvankelijk een grote vrees was, is er nooit enig vandalisme geweest.

De afdichting bovenaan bleek echter niet optimaal, bovendien werd de bult ook intensief betreden en becrossd. Daarom werd in 2005 een afrastering voorzien en een beplanting met struikjes.
In 2006 werd de afdekplaat bovenaan vervangen door een betonplaat, en werd er aan de onderzijde een betonplexplaat als extra isolatie voorzien.
De betreding is sindsdien duidelijk minder, en het binnenklimaat van de ijskelder werd stabieler en vochtiger.

Tot de winter van 2006-2007 werden er geen overwinterende vleermuizen aangetroffen, maar met al die verbeteringswerken kon resultaat niet uitblijven: op 28-12-2007 werd de eerste grootoorvleermuis als overwinteraar aangetroffen.

Het is niet onlogisch dat deze soort als eerste de ijskelder in gebruik neemt: deze soort stelt de minste eisen aan zijn overwinteringplek.
Maar het is zeker niet onmogelijk dat er nog andere soorten ook gaan komen overwinteren.
Deze ijskelder heeft immers heel wat potentieel.

Mogelijke verdere verbeteringen zijn:

  1. de betreding bovenop verhinderen (de draden van de afrastering zijn ondertussen verdwenen)
  2. de ijskelder bevat binnenin wel wat puin. Het is nuttig dat hierin aan een zijkant een ‘put’ gegraven wordt, zodat er ’s winters een plas grondwater staat. Hierdoor wordt het binnenklimaat nog wat vochtiger.
  3. Plaatsen van ‘CDbox’vleermuiskasten. Deze zijn blijkbaar zeer succesvol in de regio Voorkempen.

Alleszins ‘chapeau’ voor de gemeente Rumst voor hun al geleverde inspanningen.

Dirk

 

Top
 
Laatvlieger te laag gevlogen
 

Zaterdagavond 22 september. Plots een telefoontje uit Kontich Kazerne: “Ik heb aan de straatkant een vleermuis opgeraapt. Ze werd bijna overreden door een paar auto’s. Wat moet ik daarmee doen?”
Natuurlijk spring ik dan in de wagen om te kijken of het diertje kan geholpen worden. “In het centrum van Kontich Kazerne, dus zal het wel een dwergvleermuisje zijn,” denk ik. Dat is immers de algemeenste soort, zeker in bewoond gebied.
Tot mijn verbazing was het echter een laatvlieger, samen met de rosse vleermuis is dit onze grootste vleermuis met een spanwijdte van pakweg 30cm.
De laatvlieger was ondertussen blijkbaar toch al wat bekomen van de schok en de emotie. Waar hij eerst versuft in een trui zat, begon hij nu toch al wat actiever rond te scharrelen. Het was nog niet duidelijk of er ook een inwendige verwonding was. Piepende geluidjes en scherpe tanden in zijn opengesperde mond maakten duidelijk dat hij zich nog kon verdedigen.

Vermits een laatvlieger insecten van de grond durft plukken, is het best mogelijk dat hij door een auto was aangereden, of gewoon weggeblazen door de luchtverplaatsing. Het scheelde alleszins maar een haar of hij was daarna overreden. Gelukkig dat een bezorgde natuurliefhebster erin slaagde om het diertje met haar trui te vangen en bij haar thuis tot rust te laten komen.

Nadat ik het diertje had opgehaald, leek het me toch dat er verder geen verwikkelingen waren. Ik heb het diertje dan ook terug vrij gelaten: het kroop vinnig langs een plank en de huismuur omhoog. De volgende morgen was ie verdwenen. Wie weet kom ik hem nog eens tegen bij een vleermuizentelling…

Tenslotte nog een goede raad: als je een vleermuis vindt kan je die beter niet met je blote handen pakken. Hun tanden zijn immers vlijmscherp, en wie gebeten wordt laat zich veiligheidshalve best onderzoeken op een bepaalde vorm van hondsdolheid.
Een vleermuis vangen met een doek of een trui is ideaal: ze zullen niet bijten, en bovendien ervaren ze de doek als een bescherming en zullen ze er ‘veilig’ in wegkruipen.

Op dode vleermuizen wordt ook onderzoek gedaan. Best steek je die dan in een plastic zak, zonder de vleermuis met de handen aan te raken.

Contacteer daarna iemand van de vleermuizenwerkgroep of mezelf (015/31 93 75), zodat we de vleermuis kunnen komen ophalen.

Dirk

 

Top
 
Vleermuizen tellen in het Fort van Duffel
 

Op 5 februari 2006 werd de jaarlijkse vleermuistelling gehouden. We konden dit gebeuren meemaken in het Fort van Duffel, en stelden daarbij vast dat dit uitgesproken expertenwerk is. Deze diertjes leggen een wel een zeer uitgesproken voorkeur aan de dag voor de kleinste hoekjes, gaatjes en spleetjes. Eéntje had gelukkig medelijden met het paar leken onder de aanwezigen en was zo goed “gewoon” op een muur te gaan hangen. Maar alle andere zouden we finaal over het hoofd hebben gezien, mochten we niet in professioneel gezelschap hebben vertoefd.
Na een tweetal uurtjes bleken er uiteindelijk 22 stuks in het fort te overwinteren, een aantal dat de telploeg behoorlijk tevreden stelde. Het ging om 1 dwerg-, 3 grootoor, 11 water-, 4 baard/Brandts-, 2 franjestaart-vleermuizen en nog 1 ondetermineerbaar dier.
Het vereist ook moed, zelfopoffering en heel wat lenigheid om de winterrustplaatsen van vleermuizen te vinden. Dat bewijzen de bijgaande foto’s. Acrobatische eigenschappen behoren absoluut tot de vele pluspunten van de toegewijde teller!

 

Top
 
Steenmarters
 

Steenmarters (volksnaam fluwijn / Frans : fouine) behoren tot de groep van inheemse kleine roofdieren, naast o.m. de bunzing (fis), wezel, hermelijn. Deze diergroep is wellicht het best gekend via de fret, een gedomesticeerde vorm van de bunzing (net zoals een hond een gedomesticeerde wolf is). Fretten worden o.a. gebruikt bij de konijnenjacht, maar steeds meer ook gewoon als huisdier gehouden.

Een volwassen steenmarter heeft zowat het formaat van een slanke huiskat, met een dikke (pluim)staart. Het lichaam is globaal beige-bruin, poten en staart zijn donkerbruin. Het dier heeft een opvallend witte keelvlek, die gevorkt doorloopt naar beide voorpoten.

Naast de steenmarter bestaat ook de boommarter, een soort die er heel nauw mee verwant is. Het onderscheid tussen beide is vaak slechts door specialisten te maken.

In tegenstelling tot de boommarter, die in Vlaanderen uiterst zeldzaam is, komt de steenmarter veel meer voor. Steenmarters waren ooit algemeen in gans Vlaanderen, maar zijn vermoedelijk begin vorige eeuw (jaren 1900) uitgeroeid geworden. In de jaren 1940-50 heeft zich evenwel, vanuit Wallonië, een 'bolwerk' kunnen ontwikkelen in oostelijk Vlaams Brabant en zuidelijk Limburg. Sinds een tiental jaren wordt een noordwaarts gerichte herkolonisering van gans Vlaanderen vastgesteld. In de streek waar zij reeds langer voorkwamen, is hun dichtheid toegenomen.

De precieze oorzaken van deze trend zijn niet geheel duidelijk. Ongetwijfeld spelen het natuurbeleid in het algemeen en een gewijzigde mentaliteit tegenover roofdieren in het bijzonder hierin een rol. Daartegenover valt op te merken dat in onze buurlanden een analoge trend gaande is, of, in een recent verleden, reeds eerder plaatsvond.

Met deze toename gaat ook een stijging van het aantal klachtmeldingen gepaard. Steenmarters hebben de gewoonte hun intrek vaak in gebouwen te nemen. Klachten betreffen dan vooral nachtlawaai (geschreeuw, gestommel), geurhinder (uitwerpselen, prooiresten), beschadiging (dakisolatie), en … vrees voor een (onbekend) dier. Een enkele keer wordt melding gedaan van doden van kleinvee (duiven, soms kippen) of roven van eieren.

Sommige van deze redenen zijn nauwelijks of niet terecht. Zo zijn steenmarters absoluut ongevaarlijk voor de mens : zij zullen nooit spontaan aanvallen, maar integendeel zo snel mogelijk wegvluchten.
Het doden van kleinvee is niet uit te sluiten, maar neemt meestal niet zo'n belangrijke proporties aan. Zo mogelijk de huisvesting van de betreffende dieren aanpassen – vooral 's nachts het duivenhok bv. beveiligen – lost vaak al de hinder op. Gezien de marters inderdaad bijna uitsluitend 's nachts actief zijn, is diefstal van eieren makkelijk te voorkomen door deze gewoon zélf tijdig te verzamelen.

Het kernprobleem gaat meestal over de hinder in gebouwen. Ook hier is de oplossing simpeler dan vermoed of gevreesd wordt. Om dit te begrijpen is een kleine uitweiding over de leefgewoontes van steenmarters noodzakelijk.

Steenmarters vertonen, zoals de meeste roofdieren, een sterk territoriaal gedrag. Dit betekent dat zij een stuk van het landschap als het hunne beschouwen en agressief gaan verdedigen tegen vreemde soortgenoten. Zo'n territorium kan algauw een oppervlakte hebben van enige honderden hectaren, bv. een 'blok' van ca. 2 km x 2 km (4 km² of 400 ha). Het wordt in de regel bezet door één mannetje en één of enkele wijfjes. Er is jaarlijks één nest in het voorjaar. Vanaf het najaar moeten de jongen het ouderlijk gebied verlaten, en gaan, elk voor zich, op zoek naar een eigen territorium.

Gevestigde territoriumhouders hebben binnen hun leefgebied meerdere schuilplaatsen – vaak gebouwen, maar ook holle bomen, houtstapels, dichte struwelen,… – die ze afwisselend voor korte of langere periodes benutten. Worden ze op of in zo'n schuilplaats verstoord, dan zullen zij die steevast een hele tijd niet meer gebruiken.

De redenering voor het oplossen van steenmarterproblemen vertrekt van deze gegevenheden :

- de blijvende aanwezigheid van gevestigde territoriumhoudende steenmarters is de beste garantie dat er zich, binnen de kortste keren, geen nieuwe dieren in hetzelfde gebied gaan vestigen. Vanaf het najaar gaan jonge dieren inderdaad actief op zoek naar een 'leeg' gebied – deze zoekperiode kan doorlopen over het ganse jaar (zwervende exemplaren). Een 'goed' gebied dat werd leeggemaakt zal eerst opnieuw worden ingevuld.
- gevestigde steenmarters kennen de 'gevaarlijke' schuilplaatsen (daar waar ze actief werden verstoord) en zullen deze daarom vermijden. Omdat ze binnen hun gebied steeds keuze hebben van meerdere schuilplaatsen, stelt dit voor hen geen probleem. Wordt zo'n schuilplaats opgegeven dan is meteen ook het probleem van de baan.
- wanneer de gevestigde territoriumhouders weg zijn, hetzij bijv. opzettelijk (illegaal) gedood hetzij gesneuveld als verkeersslachtoffer, zullen nieuw-inkomende steenmarters vaak verrassend snel de schuilplaatsen van hun voorgangers overnemen. Marters hebben immers speciale kliertjes op hun voetzolen, waarmee ze continu een geurspoor aanmaken. Deze geursporen leiden de nieuwe marters 'blindelings' naar de bestaande schuilplaatsen, en het probleem stelt zich opnieuw.

Samengevat : zorg voor het behoud van gevestigde territoriumhouders (m.a.w. verwijder of doodt de dieren niet – het is trouwens verboden), maar maak deze bang van de plaatsen waar ze ongewenst zijn.

Dit 'bang maken' is vrij letterlijk te nemen : ondanks het feit dat de marters spontaan de menselijke omgeving opzoeken en zich schuilhouden in gebouwen, zijn zij erg gevoelig voor 'ongewone' gebeurtenissen. Dit ongewone kan zijn : zelf doordringen op de plaatsen waar de dieren zich vermoedelijk ophouden en daar dan letterlijk een tiental minuten met potten en pannen rammelen, hard met een stok op de balken slaan, de 'inrichting' grondig veranderen (materiaal verplaatsen), een transistor-radio keihard laten spelen (opgelet evenwel voor burenhinder…),… en dit bij voorkeur late-namiddag, vroeg-valavond. Dit eventueel enkele dagen na elkaar herhalen.

Andere 'truuks' bestaan in het (laten) plaatsen van (zeer dure) elektronica om ultrasone geluiden te produceren, of in het aanbrengen van kwalijke geurstof ('marterspray') met een spuitbus. Men dient zich echter te realiseren dat het 'werkzame' effect van deze handelingen niet (zozeer) de ultrasone geluiden of de spray zijn, maar wél het feit dat men de schuilplaats grondig heeft verstoord door deze elektronica te installeren of de spray ter plaatse te gaan aanbrengen (van op een ladder, op een zolder, in een kruipruimte,… waar men 'normaal' niet komt).

Afhankelijk van de situatie (aard van het gebouw,…) kan men, na verstoring, proberen de toegangen te blokkeren zodat het probleem definitief van de baan is en blijft. In veel gevallen is dit niet eenvoudig, gezien marters uitstekende klimmers zijn (een wat ruw-bakstenen muur kan zonder veel moeite beklommen worden…) en een opening van nog geen tien centimeter doorsnee al ruim voldoende is.
Blijven de toegangen open, dan is het mogelijk dat het probleem zich vroeg of laat opnieuw stelt (territoriumhouder doodgereden, schrik na lange tijd overwonnen…) – de oplossing blijft evenwel steeds even eenvoudig en herhaalbaar…

Tot slot volgende bedenkingen : een belangrijk deel van het voedsel van steenmarters bestaat uit muizen en ratten … zij vinden die vaak precies in de menselijke omgeving – waar deze knaagdieren zeker ook niet gewenst worden.
En ook : steenmarters zijn prachtige, lenige dieren – wie al eens de kans krijgt ze in levende lijve waar te nemen is ongetwijfeld een natuurbeleving rijker !

Koen Van Den Berge
wildbioloog
Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer
Gaverstraat 4
9500 Geraardsbergen
E-mail


Ter info:
Ook in onze regio zijn recent nog steenmarters waargenomen.
Zo trof Vic Michiels tijdens een ringactiviteit in 2001 een zogende steenmarter aan in een bosuilkast te Rumst.
In 2000 vond Luc Cuvelier 2 keer op de baan van Lint naar Hove waarschijnlijk een steenmarter als verkeersslachtoffer.


GEZOCHT! Medewerkers voor het Marternetwerk Vlaanderen
Voor het onderzoek naar de verspreiding en de ecologie van marterachtigen in Vlaanderen is het inzamelen van verkeersslachtoffers een belangrijke bron van informatie. Ook jij kunt daarbij helpen. Heb je ergens een dode bunzing (fis), hermelijn, wezel (muishond), steenmarter (fluwijn), boommarter, das of otter gezien, dan kan je dit melden aan een van onderstaande personen die het dier zullen komen ophalen en naar een diepvriezer brengen. De diepvriezers staan ter beschikking bij de personen of instanties met een sterretje (*) naast hun naam. Ook verkeersslachtoffers van wasbeer, wasbeerhond, Amerikaanse nerts, fret, beverrat en bever zijn belangrijk en worden ingezameld.

Raak deze dieren zelf niet aan daar ze ziektes kunnen hebben die zelfs voor de mens besmettelijk zijn.
Ze zijn allemaal wettelijk beschermd, waardoor het verboden is ze, zowel levend als dood, te vervoeren of in het bezit te hebben. De personen uit de provincies Antwerpen vernoemd in onderstaande lijst hebben de nodige vergunningen, weten hoe en hebben het nodige beschermend materiaal om deze dieren te manipuleren.

Voor meer inlichtingen kan je terecht bij :
- Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer,
Gaverstraat 4, 9500 Geraardsbergen, fax 054 43 61 60,
- Koen Van Den Berge, tel. 054 43 71 12,
E-mail

(Overgenomen uit de Nieuwsbrief Natuurstudie regio Mechelen)


CHRIS BOOMAARS * LEUVENSESTEENWEG 407, 2800 MECHELEN 015 43 06 48
AUGUST DE WEERDT STUIVERBERGBAAN 229, 2800 MECHELEN 015 41 97 27
RONNY DIERCKX LIERSESTEENWEG 175, 2520 RANST_EMBLEM 03 480 73 57
WOUT VAN DE SOMPELE GUIDO GEZELLESTRAAT 43, 2630 AARTSELAAR 03 877 08 62
CARL VAN DEN BROECK SLACHTHUISLAAN 54, 2800 MECHELEN 015 34 02 72
JEAN-PIERRE VAN DEN WEGHE KONING ALBERTSTRAAT 197, 2800 WALEM 015 20 13 64
JEAN-PIERRE VANDERSCHUEREN ZEMSTBAAN 136, 2800 MECHELEN 015 42 34 23
NATUURPUNT KARDINAAL MERCIERPLEIN 1, 2800 MECHELEN 015 29 72 20

Recentelijk verzamelt men via het marternetwerk ook eekhoornslachtoffers. Dit in het kader van een doctoraatsonderzoek om de verspreiding van truffels na te gaan. Het blijkt namelijk dat eekhoorns hier wel pap van lusten. Na dissectie van de eekhoorns en microscopisch onderzoek van de maagresten kan men via deze weg de groeiplaatsen van truffels in Vlaanderen opsporen.

Uit eerder onderzoek op mestkeutels van eekhoorns, bleek dat 1 op 4 sporen van truffels bevatten.

De wegen van de natuur zijn ondoorgrondelijk: hoe men via een marternetwerk iets te weten komt over truffels in Vlaanderen...

 

Top
 
Inventarisatie van overwinterende vleermuizen in het fort van Duffel door onze leden
 

Enkele sfeerbeelden:









Wie geïnteresseerd is in zoogdieren, contacteert Dirk Costrop (zie bestuur).

 

Top